Een nieuw (school-)jaar

Een nieuw jaar, een nieuw begin. Na zes heerlijke weken vakantie (voor beide kinderen en, hoe luxe, dit keer ook voor mij) was maandag weer de eerste ‘gewone’ dag.

Gewoon. Gewoon? Nee, het is niet gewoon. Nog nooit eerder besefte ik zo goed, hoe groot de zegen van ‘gewoon’ is. Ik werk al ruim 10 jaar in het onderwijs en de start van een nieuw schooljaar is altijd een bijzonder moment. Werkend vlakbij de directie van een grote scholengemeenschap zie je elk jaar de opluchting op de gezichten als iedereen ‘gewoon’ weer aan het jaar kan beginnen. Als er geen ongelukken zijn gebeurd, als er geen slecht nieuws is gekomen, als er niets bijzonders is gebeurd in de zomerperiode.

Tien dagen voor het einde van onze zomervakantie kwam het bericht dat een goede vriend van ons getroffen is door kanker. Vlak voor de zomer zijn hij en manLief nog samen op pad geweest voor het goede doel. En nu is zijn wereld op z’n kop gezet door een slecht bericht. Alles wat vanzelfsprekend was, wordt ineens een vraagteken. Niks meer gewoon.

Alles wat vanzelfsprekend was, wordt ineens een vraagteken.

Terwijl we wachtten op nader nieuws van deze vriend, kwam het volgende slechte bericht. Een docente van de basisschool was opgenomen in het ziekenhuis en haar toestand was kritiek. Als voorzitter van het bestuur werd ik geïnformeerd, als mens, als moeder, als partner voel je het verdriet en de spanning. Na een aantal dagen van intens meeleven met alle updates, soms beter, soms slechter, is zij donderdag overleden. Hoezo, gewoon? Niets is meer gewoon als zoiets gebeurt. Haar partner, haar kinderen… Hoe gaan zij ooit nog ‘gewoon’ weer aan de slag na de zomervakantie?

Dus, ik sta stil. Soms letterlijk, bijvoorbeeld als ik in de aula van de school even naar de foto van deze overleden juf kijk. Soms figuurlijk, als ik op de bank zit en mijn gedachten laat gaan naar de rollercoaster waarin iemand kan belanden omdat er kanker wordt geconstateerd. Andere keren met blijdschap in mijn hart, bijvoorbeeld toen ik onderstaande foto van manLief kreeg. Onze kinderen, op hun eigen fiets op weg naar school.

En gelukkig voor hen, voelt dat dan toch weer heel gewoon.

Advertenties

Mijn opa

Mijn opa (moederskant) was een bijzonder man. Hij was geen gemakkelijk man. En hoewel er excuses genoeg te maken zijn voor hoe hij was, was het ook niet altijd makkelijk. Niet voor mijn Oma, niet voor hun kinderen, niet voor hun schoonzoons/-dochters, niet voor zijn eigen broers en zus, niet voor de familie van mijn Oma. Niet voor werkgevers, klanten, vrienden. Maar, na dit sombere begin, ik hield veel van hem. En hij van mij, van ons, zijn (klein-)kinderen en vrouw.

Dit stuk gaat niet over mijn opa. Het gaat over zijn jeugd. En het komt door mijn interesse voor genealogie. Voor mijn eigen stamboom, maar vooral voor alle verhalen die als vruchten aan de takken van al die stambomen geplukt kunnen worden. Dit verhaal gaat over de ouders van mijn Opa:
Henricus Johannes Bernardus van der Heijden en
Cornelia Alberta Maria van Dijk.

Op 15 april 1941 overleed Cornelia Alberta Maria (roepnaam Cor), op 42-jarige leeftijd, bij of kort na de geboorte van haar 8e kind. Het kind is, voor zover ik kan nagaan levenloos ter wereld gekomen. Het gezin van der Heijden bleef achter zonder moeder. Zes jongens en één meisje, in de leeftijd van ca 18 jaar tot enkele jaren oud. Mijn Opa was het derde kind, 14 jaar oud en stond enige dagen later aan het koude graf van zijn moeder. Hij is zich altijd blijven herinneren hoe er van hem verwacht werd een schep zand op haar kist te gooien.

Al snel werd er voorzien in ondersteuning van het gezin, een huishoudster nam alle taken van moeder Cor op zich. Aan haar de zware taak om de kinderen in het gareel te houden, te voeden (en dat in de laatste hongerige jaren van de tweede wereldoorlog) en naar volwassenheid te begeleiden. De tochten die mijn Opa samen met zijn 3 jaar oudere broer maakte in de hongerwinter stonden hem eveneens in het geheugen gegrift. Niet dat beide jongens met veel voedsel naar huis kwamen na één of meerdere dagen van boerderij naar boerderij lopen. Maar hun portie eten van die dagen kon verdeeld worden over de jongere kinderen terwijl mijn Opa en zijn broer bij de meeste boerderijen waar ze aanklopten wel een snee brood en een beker melk in handen gedrukt kregen. Vanuit Hilversum kwamen ze zo soms wel tot in Andijk, twee pubers lopend op pad gestuurd.

Na een paar jaar trouwde vader Harry met de huishoudster (hieronder de inschrijving van zijn overlijden in het register van de burgerlijke stand waarbij zijn tweede echtgenote genoemd staat evenals zijn status als weduwnaar van zijn eerste vrouw) en ontfermde zij zich blijvend over de kinderen. De oudsten waren inmiddels uit huis of gingen snel hun eigen weg. De eerste (te snel) getrouwd (en later weer gescheiden), nummer twee en drie uitgezonden geweest naar Nederlands-Indië. De tweede zoon emigreerde, na thuiskomst uit Indië naar Nieuw Zeeland en werd daar houthakker, om eind jaren ’50 te overlijden bij een bedrijfsongeluk. Mijn Opa (nr 3 in de rij) overwoog zijn broer te volgen overzees, maar koos voor het opbouwen van een toekomst samen met mijn Oma. Omdat zij geen toestemming kreeg voor het huwelijk (en dat is weer een heel ander verhaal) hebben zij gewacht tot haar 30e verjaardag om in het late voorjaar van 1956 te kunnen trouwen. Waar de jongere broers en zus van mijn Opa in Hilversum en omstreken bleven wonen, trokken mijn Opa en Oma van baan (met huis) naar betrekking, naar eigen kansen en van stad naar dorp tot ze zo’n 10 jaar na hun huwelijk met hun vier kinderen neerstreken in Leiderdorp.

De moeizame relatie met huishoudster/stiefmoeder bleef al die jaren. Niet alleen tussen mijn Opa en deze vrouw, maar ook mijn moeder en haar zusje en broertjes voelden duidelijk dat dit geen echte oma was.

Waar de stroefheid in de relatie begint? Bij een volop puberende jongen die zijn moeder moest verliezen? Bij een strenge huishoudster die in een huishouden vol verwende jongens terecht kwam? Bij een jongen die zich niet wenste te schikken naar de nieuwe situatie thuis? Bij de periode van schaarste en onrust in Nederland? Bij een vrouw die nooit had verwacht moeder te worden en die rol wilde afdwingen bij het gezin waarin zij opgenomen wilde worden? Vragen die niet (meer) beantwoord kunnen worden. Als ze ooit al beantwoord konden worden. Vragen die horen bij het verhaal dat ik hierboven kort heb verteld. En dat naar aanleiding van de digitalisering van vele bestanden van de burgerlijke stand. In dit geval een aangifte van overlijden op 16 april 1941.

Helen en niet verdringen

Ik zat mijn huiswerk voor loopbaancoaching nog eens na te lezen. Een test waaruit een score op verschillende (team-)rollen kwam. Het was niet de eerste keer dat ik de test deed, de uitslag was niet nieuw en geeft tegelijk wel nieuwe inzichten. Ik geniet heel erg van het loopbaantraject en van de dingen die ik over mijzelf mag leren. De rollentest heb ik met veel plezier gedaan, na de eerste aarzeling.

Waarom die aarzeling? Een vergelijkbare rollentest deden we najaar 2017 met ons toenmalige team. Een team bestaand uit mijzelf, drie collega’s en een leidinggevende. Het team waarvan in januari 2018 en in april 2018 twee collega’s uitvielen en waar ik zelf eind mei 2018 uitviel. Alledrie met als uiteindelijk resultaat de beslissing niet terug te willen keren naar onze werkplek. Uit de toenmalige rollentest kwam voor mij een iets ander beeld dan het resultaat binnen dit loopbaantraject. Niet gek, omdat de context van het invullen ook heel anders is. De toenmalige rollentest heeft wel geleid tot werkafspraken, tot verwachtingen over en weer, tot niet-passende verwachtingen en toezeggingen. En dat was wat me vandaag raakte.

De rollentest van ons team heeft toentertijd geleid tot (oa.) het verschuiven van taken van mijn leidinggevende naar mij. Taken waar zij, aldus haar uitslag, niet de beste persoon voor was, maar taken die mij evenmin écht energie geven. De begeleider van die dag had dat laatste moeten kunnen zien, als ze open naar ons als team én naar ons als individuen had gekeken. Door het opnieuw doen van de rollentest zag ik hoe er toen binnen ons team de focus verlegd is, naar taken / rollen / verantwoordelijkheden die niet goed bij ieder van ons pasten. Hoe er op verschillende plekken verantwoordelijkheden zijn verschoven die niet pasten bij onze functies. Hoe er scheefgroei werd bevestigd en vergroot.

Dit inzicht deed me pijn. Ik heb er verdriet van dat het zo gegaan is en dat het heeft geleid tot het uiteenvallen van ons team, tot het ziek worden van mijzelf en twee collega’s. Ik werd er door overvallen. En ineens besefte ik dat ik nu in de praktijk kon brengen wat ik bij mindfulness en bij zelfcompassie geleerd heb. Het inzicht deed me heel veel pijn, ik verweet mijzelf bovendien het nodige, terugkijkend naar de situatie. Op dat moment wilde ik het liefste iets anders gaan doen, mezelf afleiden van de pijn, de pijn wegstoppen, of misschien nog liever de leidinggevende of degene die ons team die dag begeleidde de schuld geven. Maar ik deed iets anders. Ik ging de confrontatie aan met het verdriet en met de pijn. Ik zette mijn twee voeten stevig op de grond, ademde diep en rustig en liet de golven van pijn en verdriet komen. Ik weigerde mijzelf om nieuwe koffie te gaan halen, of om meteen de computer te openen en het inzicht te delen in dit bericht. Ik ademde door en liet de golven komen en gaan. Ik luisterde naar mijn lichaam en koos ervoor om niet te luisteren naar de stem in mijn hoofd die mij vertelde wat ik in en na die situatie allemaal anders had moeten doen. Naast het aangaan van de negatieve emoties (mindfulness) durfde ik ook de compassie op te zoeken. Voor mijzelf en voor de anderen die er toen bij waren. Zelfs voor de begeleider van de dag, van wie ik geen al te hoge pet op heb. Ik koos ervoor om in verbinding te staan, van mens tot mens, en vanuit het universele vertrouwen dat wij allen ons best doen.

Het liefst had ik het inzicht analytisch benaderd. Het vergroot mijn kennis van de rollentest en hoe deze rollen kunnen uitwerken in een team. Die kennis hoop ik nog steeds opgedaan te hebben, maar belangrijker is dat ik de pijn en het verdriet niet heb verdrongen. Ik heb er verdriet van dat de fijne samenwerking van een team, met goede resultaten voor de gehele organisatie, teniet gedaan kan worden doordat er een leidinggevende toegevoegd wordt die niet de match weet te maken. Toch is dat nu hoe het is, het team is er niet meer en komt niet meer terug én ik heb daar verdriet van. Dat toe te mogen geven, in plaats van weg te stoppen, is helend.

Dus laat ik mij soms even overspoelen door golven. Eb en vloed. Je kan ze wel ontkennen, of willen vermijden, maar de golven zijn echt. Net zo echt als mijn hoofd dat ook weer boven water komt.

De basis van het hardlopen

Sinds eind 2012 ben ik een hardloper. Eerst nog aarzelend, vervolgens steeds zelfverzekerder, even niet vanwege zwangerschap en herstel, daarna weer wel, op en af, wat last van blesssures maar sinds vorig jaar juli weer in opbouw met als hoogtepunt de 10 kilometer die ik gisterochtend aflegde.

Mijn hardloopuitrusting bestaat de afgelopen 6 jaar eigenlijk uit een paar duidelijke basis-stukken. Natuurlijk gaat het dan om (goede) schoenen, prettige kleding en daarnaast nog een paar gadgets. Veel meer is er eigenlijk niet nodig.

Schoenen

Toen ik begon met hardlopen in 2012 had ik nog ergens achter in de kast een oud paar sportschoenen staan. Ik kreeg de bestanden van Evy (start to run uit 2006) van een collega en ging op pad. Binnen de kortste keren had ik enorm last van mijn knieën en begreep ik dat ik toch maar ‘echte’ hardloopschoenen moest gaan kopen. Het eerste paar werd bij een grote sportwinkel aangeschaft, waar het advies bestond uit een korte blik op mijn enkels (naar binnen gebogen), het aanreiken van een aantal schoenen met anti-pronatie, en de vraag welke het lekkerst zaten. Na enige tijd brachten die schoenen mij bij een podotherapeut die er specifieke sportzooltjes bij maakte en toen ging het echt van start. Ergens eind 2015 ging ik, naar aanleiding van een hardnekkige blessure, te raden bij een sportfysio/sportpodotherapeut en kocht ik, op basis van zijn tips, een tweede paar schoenen waar hij vervolgens de zooltjes bij maakte (de roze schoenen/zwarte zooltjes op de foto). De blessure kwam helaas terug, net als de blaren op mijn hakken die hardnekkig bleven ontstaan. In 2017 legde ik mij toe op een andere looptechniek en kocht ik barefoot-hardloopschoenen (turkooise paar op de foto). De echte overstap naar het rennen op deze schoenen durfde ik nog niet te maken. Inmiddels heb ik dat wel gedaan. Het opnieuw opbouwen van mijn kilometers sinds ik thuis kwam te zitten met mijn burn-out was de perfecte kans. En inmiddels staat er in nieuw paar barefoot-schoenen van Merrell in de wacht (nog in de doos op de foto).

Kleding

Wat betreft hardloopkleding ben ik absoluut niet veeleisend. Ik heb me wel voorgenomen om in de toekomst te investeren in meer duurzame merken. Voorlopig heb ik nog niet echt een fijn merk gevonden (duurzaam, betaalbaar, beschikbaar, naar mijn smaak). Dus als iemand tips heeft…?

Ik heb een aantal leggings in alle lengtes. De meesten heb ik in het verleden bij H&M gekocht en hetzelfde geldt voor mijn shirts met lange mouwen waarvan ik er ook meerdere heb. Voor de winter heb ik een fijne legging met extra voering op de bovenbenen en voor als het echt warm wordt verschillende korte broekjes (die allemaal niet echt lekker zitten). De enige eis die ik aan de leggings stel is dat de taille met een koordje strakker aangetrokken kan worden, zodat de band niet gaat schuiven. Ik draag eigenlijk meestal twee lagen bovenkleding: een sporthemd en daarover een shirt met lange mouwen of andersom een shirt met lange mouwen met daarover een t-shirtje. Nu het voorjaar is draag ik bij een loopje ’s middags vaker een hemd met een t-shirt met korte mouwen daarover en in de zomer zal het alleen het t-shirt of alleen het hemd worden. Daarnaast altijd een stevige sport-bh waar ik er twee van heb (allebei in de was, dus niet op de foto) en dan nog hardloopsokken, meestal van falke, in korte of minder korte variant. of mijn hardloopsokken van ToeSox.

Gadgets

Tot slot zijn er nog de gadgets die ik elk loopje bij me heb. Om te beginnen ga ik eigenlijk nooit zonder telefoon van huis. Alleen al het idee dat ik me zou verstappen ergens en niet naar huis kan bellen om opgehaald te worden… Die telefoon gaat in het tasje van RooSport, samen met mijn huissleutels, en wordt in de broeksband gedragen. In het tasje zit ook een handig gaatje voor het koordje van de koptelefoon. Die gaat ook heel vaak mee. Ooit om de aanwijzingen en complimenten van Evy te kunnen horen, nu voor muziek, een podcast of de geluidsfragmenten van Zombies Run. En tot slot draag ik altijd ons Garmin sporthorloge. Hierop zie ik hoelang ik aan het lopen ben, hoe ver ik gekomen ben en eventueel hoe snel ik ga op dat moment, in deze ronde (kilometer) of over het hele loopje.

Dat is dus mijn basis-uitrusting. En daarmee loop ik inmiddels zo’n 10 tot 20 kilometer per week. Mijn bedoeling is om straks bij de Marathon van Leiden de 10km te lopen. Ik ben heel benieuwd hoe mij dat gaat bevallen, en of ik dan ook de kriebels krijg voor meer of misschien juist voor nog verder!

Heb jij ook een sport of hobby waarvoor je een basisuitrusting op orde houdt? Zijn er dingen die jij ook meeneemt bij het hardlopen, of die je juist bewust thuislaat? Heb je nog goede tips voor mij? Weet je bijvoorbeeld een fijn merk voor duurzame hardloopkleding? Of heb je tips voor korte broeken / een hardlooprokje?

Over lezen

Al eerder schreef ik dat ik een fervent lezer ben. Voor manLief geldt dat eveneens. Beiden koesteren wij de herinneringen aan de lange avonden die we lezend in bed doorbrachten. Vaak stiekem, met de gordijnen op een kiertje of met een half oor luisterend naar de geluiden in de woonkamer. Bij het minste gerucht werd het lichtje uitgeknipt, waarna onze ouders even later kwamen constateren dat ze inderdaad een ‘KLIK’ hadden gehoord. Warme gloeilampjes zijn lastig te verbergen…

Ook onze kinderen zijn dol op boeken. Dat kan ook haast niet anders, met de hoeveelheid leesvoer die aanwezig is in ons huis en het lezende voorbeeld van ons als ouders. Ik ga graag en geregeld met beide kinderen naar de bieb hier in de stad. Soms fietsen wij naar de bieb in de buitenwijk voor een iets ander aanbod. Wij hebben, zéér bewust, een dagelijkse krant (ook al moeten we soms heel snel doorbladeren om de ergste ellende nog niet uit te hoeven leggen). Op verlanglijstjes staat ook altijd een boek, vaak meer dan één.

En wat lezen wij dan zoal, vooral met / voor onze kinderen:

Paul van Loon – Zelf ben ik van de generatie ‘Griezelbus’, mijn broertje is vervolgens aangehaakt met Dolfje Weerwolfje en die laatste verhalen zijn ook favoriet bij onze oudste. Vooral ’s avonds voor het slapen gaan zijn het de, spannende, verhalen van Dolfje die zijn voorkeur hebben. Voor onze jongste is het Foeksia de Miniheks, eveneens van Paul van Loon, die we mogen voorlezen. Ze heeft een paar verhalen van Foeksia en die zijn ieder al zeker 10x gelezen sinds de decembermaand.

Het Muizenhuis – mijn schoonmoeder, vorig jaar maart overleden, was heel erg fan van het Muizenhuis vooral vanwege de enorme gedetailleerdheid van alle verschillende kamers in het huis. Haar boeken van het Muizenhuis hebben wij mogen meenemen en staan bij onze jongste op haar kamer. Erg leuk dat zij die verhalen nu ook meer en meer gaat waarderen en hoe we met elkaar de bijzonderheden in de platen kunnen ontdekken.

Roald Dahl – Wat ik zelf erg leuk vind is om een verhaal voor te lezen dat we op een later moment in filmvorm kunnen bekijken. Bovendien zocht ik een oplossing voor het soms trage eten van de kinderen. In plaats van ze op te jagen hun bord leeg te eten (omdat ik al lang klaar ben en eigenlijk verder wil) pak ik nu geregeld een boek en lees ze voor. Op voorwaarde natuurlijk dat ze dan blijven dooreten 😉 Zo hebben we Sjakie en de Chocoladefabriek en De Fantastische Meneer Vos in stukken na het eten gelezen. Van de eerste hebben we daarna ook de film (de originele film, niet die met Johnny Depp) gezien. Van de tweede staat die film nog op mijn lijstje voor een familie-film-middag.

Andere klassiekers die we hebben (voor-)gelezen zijn bijvoorbeeld Pluk van de Petteflet, aan beide kinderen toen zij de peuterleeftijd hadden. De Zevensprong van Tonke Dragt, waarbij we in de zomervakantie ook twee weken lang de oude tv-serie hebben gekeken elke avond. De dwergjes van Tuil, van Paul Biegel, voor onze jongste als verhaaltjes voor het slapengaan. En tot slot kan ik de Kleine Kapitein, eveneens van Paul Biegel, niet overslaan. Hiervan hebben we de luisterboeken die ik aanzet als ik samen met beide kinderen een langere autorit maak.

Hoe is het met jouw leeshonger gesteld? Ken je zoiets als leeshonger en heb je dat overgebracht op je kinderen? En welke boeken moeten we echt niet overslaan als we onze kinderen een heel breed aanbod willen aanreiken?

Het persoon-willen-zijn

Als je in het onderwijs werkt, kun je er niet meer omheen. Hoogleraar Gert Biesta die het gesprek over ‘wat vinden wij goed onderwijs’ weer op de kaart zette. Hij heeft al heel wat geschreven over het onderwijs en zijn drieslag ‘kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming (of subjectificatie)’ moet inmiddels elke onderwijsprofessional bekend in de oren klinken. Deze week las ik een interview met Gert Biesta waarin hij het begrip ‘persoonsvorming’ of ‘subjectivicatie’ nader toelichtte. Bij het lezen van dit interview gingen mijn gedachten continue naar mijn eigen levensreis waarin mindfulness op dit moment een grote rol speelt.

(voor de niet-onderwijs-lezers alhier) Goed onderwijs omvat kwalificatie, leerlingen worden opgeleid naar een einddoel (diploma, overgang volgend onderwijsniveau, certificaat, etc.), socialisatie, waarin leerlingen leren zich te gedragen in sociaal verband (van de regels en mores in de klas/school, tot de (ongeschreven) regels in een samenleving) en personificatie, waarin leerlingen groeien als mens (hun eigen sterktes en zwaktes leren kennen en leren zich te verhouden tot de wereld klein of groot om hen heen).

Verkeersregels zijn belangrijk (socialisatie), maar ik hoop dat we meer meegeven op zondagse ritjes. Bijvoorbeeld (personificatie) het plezier in buiten zijn of een stukje milieubewustzijn.

Gert Biesta beschrijft de gronslag van ‘subjectivicatie’ als een vraag: “Wil je verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven?“. Subjectivicatie gaat nadrukkelijk niet over het doel om aan leerlingen, aan kinderen, te vertellen ‘hoe het hoort’. Dat is nou juist onderdeel van ‘socialisatie’ in het onderwijs. Maar ‘subjectivicatie’ gaat om de groei in de manier waarop leerlingen naar de wereld (durven) kijken, de manier waarop zij reageren en óf zij daar hun eigen rol en hun eigen aandeel in willen nemen.

Mindfulness is voor mij stil kunnen staan in het moment, om vervolgens je ervan bewust te zijn dat je een keuze hebt. Het maken van die keuze is dan eveneens een bewuste stap, in plaats van een reflexmatige handeling. En zelfs in situaties waarin we niets te kiezen hebben, kunnen we nog steeds kiezen hoe we die situaties ondergaan. Zoals ik ooit leerde in een cursus ‘seven habits‘: ‘you carry your own weather‘. Gert Biesta zegt: “Hoe je je verhoudt tot dingen waar je géén greep op hebt, dat moet je oefenen.” En daarmee raakt hij voor mij de kern van wat ik ieder kind, iedereen, zou willen meegeven. Ik las het ook van Pema Chodron in Falen – opnieuw falen – steeds beter falen. Het leven is vol onzekerheden, het enige wat je zeker weten gaat tegenkomen zijn momenten waarin het niet lukt. En dan is de vraag hoe je daar op reageert.

Welke houding neem jij aan wanneer er dingen op je pad komen waar je geen greep op hebt. Durf je op te staan? Durf je verantwoordelijkheid te nemen? Durf je ruimte te bieden aan de ander? Durf je toe te geven dat er iets verkeerd is gegaan, dat je iets anders had kunnen of willen doen? Durf je het ongemak te dragen? Durf je daadwerkelijk te voelen wat er op je af komt? Mindfulness is durven stilstaan en daarna een keuze maken. Je verhouden tot dingen waar je geen greep op hebt, is eveneens stilstaan en je realiseren dat je wel een keuze hebt. Durven stilstaan is een belangrijke eerste stap. Ik hoop nog heel vaak bewust stil te kunnen staan en ik hoop mijn eigen kinderen, en de kinderen die ik raak met mijn (onderwijs-)werk, de ruimte te geven en de vaardigheid te leren om dit ook te doen.

Hoe het hier gaat

Na een roerige periode op werk en thuis kwam ik vorig jaar voor de zomervakantie thuis te zitten met een burnout. Het kostte tijd om de volledige diepte van het burnoutproces te ervaren en het kostte nog veel meer tijd om langzaam terug omhoog te klimmen.

Na enige tijd ging ik terug naar mijn werkplek met het idee daar ‘beter’ te worden. Ergens wist ik al wel dat ik daar niet zou willen blijven, maar ik wilde er wel weer het gevoel krijgen dat ik ‘in orde’ was. Dat ik mijn werk aankon, in uren en in niveau. Al snel bleek dat de omstandigheden van veel grotere invloed waren dan ik van tevoren had bedacht. En daarmee dat het geen goede omgeving was voor mij. Maar wat dan wel?

Ik deed mijn best, ik zette door, ik twijfelde, overwoog en sprak uiteindelijk hardop uit dat ik niet terug wilde keren op mijn werkplek. De eerste reacties waren positief maar al gauw merkte ik dat ik nu vooral lastig ben voor de organisatie. Er is geen sprake van oog voor mij, het gaat niet meer over een persoon, maar het gaat nu over een aantal uren, een plek in het functiebouwwerk. Het gevoel dat ik vooral snel weg moet wezen, wordt in elk gesprek groter.

Tegelijkertijd mag ik sinds een paar weken op een andere werkplek aan de slag. Er ligt werk dat van waarde is, de collega’s zijn blij met mijn inzicht, kennis, ervaring en goede zin om aan de slag te gaan. En hoe fijn is dat!

Maar dubbel is het wel. Op de ene plek verword je van gewaardeerde collega naar een claim op de begroting en tegelijkertijd bouw je elders iets heel anders op.